Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wijzigingswet Wet educatie en beroepsonderwijs (decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van economisch claimrecht)

 

Artikel III
1
Tot het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van artikel 2.2.1, 2.3.1 en 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs in werking treden, wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, bij ministeriële regeling jaarlijks de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten vastgesteld met inachtneming van de artikelen 2.2.1, tweede en vierde lid, 2.3.1 en 2.4.1 van die wet. Deze ministeriële regeling stelt tevens het normatieve rentepercentage vast, bedoeld in het tweede lid, onder a, en de norm voor de uitgaven voor rente en aflossing, bedoeld in het tweede lid, onder b.
2
De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste een vergoeding waaruit kunnen worden bestreden:
a
de huurpenningen voor een gebouw, die door het instellingsbestuur worden betaald als verplichting voortvloeiend uit een huurovereenkomst die door het instellingsbestuur is gesloten en waarvoor door Onze Minister door middel van een goedkeuring toestemming is verleend; deze vergoeding van de huurpenningen wordt verleend tot de bedragen, perioden en condities zoals in de goedkeuring vermeld en, indien een instelling op grond van artikel II een bedrag heeft ontvangen, verminderd met de normatieve rente-opbrengsten over dat bedrag, en
b
de normatieve uitgaven voor rente en aflossing ten gevolge van het bedrag dat door het instellingsbestuur is betaald op grond van artikel II, voor een periode van maximaal 30 jaar.


Jurisprudentie bij dit artikel

  • Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.

  • Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.
  •